Ik heb een knuffel.
Hij heet Wafke.
Het is een hond.
Welke soort het is, weet ik niet.
Hij is bruin met wit.
Ik lig nog met hem in bed.
Wafke is heel lief.
Ik weet niet van waar ik hem heb,
maar ik heb hem al heel mijn leven.
Hij is wel al eens moeten gemaakt worden.
Toen liep ik met een tijger.
Hij staarde me heel de nacht aan.
Ik heb geen oog dicht gedaan.
Ruben